Gedeporteerde en omgebrachte Joodse Alkmaarders herdacht: “Heel belangrijk dat we hierbij stiltstaan”

Groep mensen, waaronder een vrouw en een meisje met bloemen, voor een monument met davidsterren tijdens een herdenkingsdienst.

173. Dat is het aantal Alkmaarders dat op 5 maart 1942 werd gedeporteerd door de Duitse bezetters. Eenvoudigweg omdat ze Joods waren. Inmiddels is het traditie om hen bij het Joods Namenmonument op het stationsplein te herdenken. 

“Tijd verstrijkt. Er komen nieuwe generaties nieuwe zorgen. Nieuwe perspectieven”, opende burgemeester Anja Schouten haar speech. “Ieder van ons staat hier met eigen gedachten en een eigen blik op de wereld, maar vandaag delen wij één reden om hier te zijn, om te herdenken om stil te staan bij wat er op 5 maart 1942 gebeurde, om de 173 Joodse Alkmaarders te gedenken die werden weggevoerd en waarvan de meeste werden vermoord.”

De herdenking wordt uitgezonden en gestreamed via Streekstad Centraal. “Dat is geen detail”, vertelt Schouten. “Het staat symbool voor openbaarheid voor het feit dat deze herdenking niet alleen voor de Joodse gemeenschap is, maar van ons allemaal.” (tekst gaat verder onder de foto)

Een groep mensen verzameld bij een herdenkingsmonument met Davidsterren, terwijl een spreker aan een podium een toespraak houdt.
Burgemeester Anja Schouten vertelt niet alleen over de 173 vermoorde Joodse Alkmaarder,s maar ook over de 43 die de oorlog wél overleefden, en de 75 mensen uit andere plaatsen die in Alkmaar konden overleven. (foto: Marco Schilpp)

Voor haar speech putte de burgemeester inspiratie uit het boek ‘De vervolging van Joods Alkmaar’ van Jan van Baar, dat verscheen bij de onthulling van het Namenmonument. Een boek waarvan de hoofdstukken de titels 173, 43 en 75 zijn.

Het eerste getal is het aantal Joodse Alkmaarders dat werd gedeporteerd en vermoord een vernietigingskamp. Schouten licht er eentje uit: Maria Gutmer-Hagens. 43 is het aantal Joodse inwoners dat de oorlog wél overleefde, waaronder Dientje Vet-Elsas. Haar ‘redding’ was de dwangarbeid in het Philips Commando in Kamp Vught en in de ondergrondse Telefunken-fabriek bij Reichenbach. 75 verwijst naar de onderduikers die in Alkmaar een schuilplaats vonden, waaronder Sarah Kanis bij het gezin Honig. Ze werd een familielid en dat bleef ze tot haar overlijden in 1999.

“173 43 75”, gaat Schouten verder. “Het zijn cijfers, maar cijfers mogen nooit verhullen dat het om mensen ging. Mensen met name gezichten en verhalen. Mensen die deel uitmaakten van ons Alkmaar. Herdenken is meer dan terugkijken. Het is erkennen dat deze verschrikkelijke geschiedenis hier heeft plaatsgevonden in onze straten in onze huizen en het is beseffen dat vrijheid en rechtvaardigheid nooit vanzelfsprekend zijn.” (tekst gaat verder onder de foto)

Een man in een zwart pak houdt een toespraak bij een herdenkingsmonument, terwijl een groep mensen toekijkt.
Rabbi Spiero brengt een gebed, zowel in het Hebreeuws als in het Nederlands (foto: Marco Schilpp)

Daarna was het aan Rabbi Pinny Spiero om een gebed op te zeggen, zowel in het Hebreeuws als het Nederlands, en aan kinderburgemeester Bo Schmidt en kinderen van OBS De Kennemerpoort om álle 173 namen van vermoorde Joodse Alkmaarders op te noemen, terwijl de aanwezigen een witte roos legden bij het monument.

Martin Franssen is één van die aanwezigen. “Ik vind het heel belangrijk dat de mensen even stil staan bij hetgeen wat plaatsgevonden heeft, zo’n 90 tot 80 jaar geleden globaal, zeker in het huidige tijdsbeeld. En ik sta hier open mijn familie te herdenken. Mijn familie is hier het tunneltje door gelopen op 5 maart 1942 vanuit de Stuwerstraat en dus hier het laatste licht van Alkmaar hebben opgevangen om het zo maar te zeggen.” (tekst gaat verder onder de foto)

Twee oudere mannen staan buiten, beiden dragen brillen en warme jassen, omringd door een groep mensen.
Bob Martens (links) en Martin Franssen vinden het belangrijk dat er – al begon het laat – jaarlijks stilgestaan wordt bij de gedeporteerde en omgebrachte Joodse Alkmaarders. (foto: Marco Schilpp)

Bob Martens, voorzitter van het 4-5 Mei Comité, echoot Franssens woorden. “Ik vindt het belangrijk dat we in ieder geval één keer per jaar even kunnen stilstaan bij het onmogelijke dat mensen worden geselecteerd uit de gemeenschap.” Martens heeft gemengde gevoelens over het monument en de herdenking. Hij is er blij mee dat ze er nu zijn, maar vindt dat ze rijkelijk laat kwamen. “Dit had er in 1960 al moeten staan of nog eerder zelfs.”

“Dit is laat”, vindt ook Martin Franssen. “Maar ik zal zeggen ‘op tijd’. Het staat er nu en ik denk dat het ook goed is als de jeugd het verhaal krijgt horen en hoe het monument hier terecht is gekomen.”