Wie vanaf het Verdronkenoord het kleine pleintje achter de Kapelkerk oploopt, staat voortaan op de Willem Rederplaats. Die naam zegt waarschijnlijk niet iedere Alkmaarder iets, maar het werk van ambtenaar Willem Reder is in de binnenstad nog overal zichtbaar. Hij vocht tegen sloopplannen, verzamelde oude bouwmaterialen en legde mede de basis voor de monumentenzorg in Alkmaar. Daarbij schuwde hij zelfs een botsing met het stadsbestuur niet.
Wethouder Tineke Bouchier onthulde de nieuwe straatnaam dinsdag samen met familie van Reder. Het pleintje had tot nu toe geen officiële naam. Dat juist deze plek naar hem is vernoemd, is passend: de Kapelkerk speelde een belangrijke rol in zijn komst naar Alkmaar.
Reder, geboren in 1906, kwam in 1953 naar de stad om mee te werken aan de restauratie van de Kapelkerk. Hij sloot zich aan bij de Stichting tot Instandhouding en Restauratie van Monumenten te Alkmaar en maakte zich sterk voor historische gebouwen en archeologisch onderzoek. In 1960 kwam hij als opzichter bij Openbare Werken in dienst van de gemeente. (tekst gaat verder onder de foto)

Dat klinkt als een tamelijk rustig ambtenarenbestaan, maar Reder bleek niet bang voor discussie. In Alkmaar werd destijds serieus nagedacht over ingrijpende veranderingen aan de oude binnenstad. Rijksplanoloog Wieger Bruin had een plan gemaakt waarbij grachten zouden worden gedempt en gebouwen gesloopt om plaats te maken voor een autoweg.
Reder verzette zich daartegen. Hij kreeg steun van inwoners en de Historische Vereniging Alkmaar en riep in de Alkmaarse Courant het stadsbestuur op tot “meer waardering voor onze monumenten”. Zijn kritiek viel niet overal goed. Burgemeester H.J. Wytema riep zijn eigen ambtenaar zelfs tot de orde. Reder wees er volgens de gemeente op dat hij nu juist was aangenomen om historische gebouwen te behouden. (tekst gaat door onder de afbeelding)

Het scheelde maar een haartje in de Alkmaarse gemeenteraad, maar de plannen voor de autoweg verdwenen uiteindelijk van tafel. In 1988 kreeg de Alkmaarse binnenstad zelfs de status van beschermd stadsgezicht. Reder maakte dat niet alleen mogelijk, hij wordt door de gemeente wel gezien als één van de pioniers die het behoud van de historische binnenstad op de agenda zette.
Ook achter de schermen liet hij sporen na. Samen met collega’s deed Reder archeologisch onderzoek. Bouwmateriaal dat bij de sloop van oude panden vrijkwam, liet hij bewaren zodat het opnieuw kon worden gebruikt bij restauraties. Rond hem ontstond zo feitelijk een vroege vorm van een gemeentelijke afdeling voor monumentenzorg en archeologie. Na zijn pensioen in 1971 kreeg die manier van werken een vaste plaats binnen de gemeentelijke organisatie. (tekst gaat verder onder de foto)

Zijn levensloop vóór Alkmaar was minstens zo opmerkelijk. Reder werkte voor de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en woonde vijftien jaar met zijn gezin in het Muiderslot, waar hij slotbewaarder en conservator was. Als tekenaar bracht hij voor restauratiewerk het gebouw en het meubilair in kaart.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zaten volgens de gemeente twee jaar lang negen onderduikers in het kasteel. Reder wist bovendien te voorkomen dat Duitse militairen, die het Muiderslot met ongeveer 150 man wilden betrekken, er hun intrek namen.
Later verhuisde hij naar Tholen. Daar maakte hij in 1953 de Watersnoodramp mee. Volgens de beschrijving van de gemeente nam Reder zelf het initiatief om met inwoners een stroomgat in de dijk bij Strijenham te dichten. Hij zou vier dagen en nachten hebben doorgewerkt totdat het gat dicht was. Kort daarna bracht zijn restauratiewerk hem terug naar Alkmaar, waar hij zou blijven. (tekst gaat verder onder de foto)

De gemeente heeft de Willem Rederplaats juist nu onthuld vanwege het 40-jarig bestaan van Open Monumentendag. Wat ooit in de binnenstad begon met een handvol opengestelde monumenten, is uitgegroeid tot een programma met ongeveer 85 monumenten.
Reder overleed in 1995. Ruim dertig jaar later staat zijn naam nu alsnog tussen de gevels waarvoor hij zich jarenlang sterk maakte.
