Monumenten, archeologie, dorpsgezichten, cultuurlandschappen, verhalen en tradities. Het is er allemaal in de gemeente Bergen en het verdient ook allemaal bescherming. Daarom stelde het college van Bergen deze week het ‘Erfgoedprogramma’ vast. “Een inspiratiebron.”
Zo noemt wethouder Ernest Briët het nieuwe programma, dat er volgens hem voor zal zorgen dat het erfgoed in de gemeente Bergen beter behouden zal worden. Zo zal er onder meer beter worden gekeken naar het behoud van kerkgebouwen en gaat de gemeente het karakteristieke aanzien van dorpen en buurten beschermen.
“De gemeente Bergen is gezegend met ongekend veel erfgoed dat voor een belangrijk deel de unieke uitstraling van onze dorpen en landschappen bepaalt”, stelt de wethouder. (tekst gaat door onder de foto)
Het Vredeskerkje in Bergen aan Zee: kwetsbaar, maar veerkrachtig door een bredere bestemming. (foto: Streekstad Centraal)
Bergen zal in navolging van andere gemeenten een Erfgoedkaart op gaan stellen. Daarop staat duidelijk waar welke plekken bescherming verdienen. Bij deze klus hoort ook het aanwijzen van ‘karakteristieke bouwwerken’, die misschien zelf dan geen monument zijn, maar wél kenmerkend zijn voor hun buurt. “Daardoor worden deze waardevolle gebouwen minder snel gesloopt”, zegt de gemeente.
Wie een monument bezit kan in de toekomst terecht bij het ‘Monumentenloket’ voor vragen over bijvoorbeeld kleine verbouwingen aan het monument. Dat geldt in het bijzonder voor kerkgebouwen. Kerken die niet meer als zodanig worden gebruikt moeten een andere bestemming krijgen om toch bewaard te blijven.
De gemeente wil voor de bescherming van het Berger erfgoed de samenwerking zoeken met inwoners, ondernemers en organisaties in de gemeente. Er komt iedere twee jaar een evaluatie, zodat Bergen continu de vinger aan de pols hangt en het programma aan kan passen als dat nodig is.
Brommende motoren, de geur van benzine en groepjes mensen die, ondanks de kou, gezellig om auto’s heen staan te praten. Op het parkeerterrein bij het Strand van Luna in Heerhugowaard kwamen zaterdagavond weer tientallen autoliefhebbers samen voor de maandelijkse Night Cruise.
Hoewel het fris was en de kans op regen groot, liet de harde kern zich niet tegenhouden. “Het weer speelt zeker een rol, maar het is eigenlijk iedere keer een succes”, vertelt Ton Andela, een van de beheerders van de Facebookgroep achter de bijeenkomst. “Vandaag kan ik me voorstellen dat mensen twijfelden, maar toch staan we hier weer met een mooie groep.”
De kracht van de Night Cruise zit volgens hem juist in de eenvoud. “Er zit geen organisatie achter, dus het is lekker laagdrempelig. Als dat wel zo zou zijn, dan krijg je vergunningen en regels, en dat is precies wat we niet willen. Het gaat om de gezelligheid, elkaar spreken en de auto’s laten zien.” (tekst gaat door onder de foto)
Groepen mensen verzamelen zich rondom de auto’s om ze te bewonderen. (foto: Streekstad Centraal)
Zo’n drie jaar geleden begon het initiatief, oorspronkelijk met een focus op Amerikaanse auto’s. Inmiddels is iedereen welkom. “Of je nou trots bent op je eigen auto of gewoon wil komen kijken en een praatje maken, alles is goed. Zolang er niet op het terrein van FG Live wordt geparkeerd en er niet onnodig hard gereden wordt, is er niks aan de hand.”
Tussen de auto’s staan mensen in kleine groepjes te praten. Hier en daar gaat een motorkap open, wordt er gewezen op een detail of klinkt het geluid van een motor die even wordt gestart. “Wat het leuk maakt is dat je van tevoren niet weet wie er komt en hoeveel mensen er zijn”, zegt Andela. “Dat maakt het elke keer weer anders.”
Zelf is hij samen met zijn twee zoons aanwezig. Trots wijst hij naar een gele Ford LTD. “Die is van mijn zoon, maar hij mag er zelf nog niet in rijden.” Zijn zoon Luuk straalt als hij over zijn auto vertelt. “Het rijbewijs, daar wordt aan gewerkt, maar op de auto ben ik echt al heel erg trots.” Hij laat zien hoe de wagen meeveert als hij erop leunt. “Je merkt niks van de hobbels en het interieur en de uitstraling is echt super mooi.” Zijn vader vult aan: “Hij had het geld, zag deze auto en wist meteen dat hij hem wilde.” (tekst gaat door onder de foto)
Ton en zijn zoon Luuk staan trots tegen de gele Ford LTD geleund. (foto: Streekstad Centraal)
Ook Wil Abbink is erbij, samen met haar man en een goede vriendin. Ze staan bij hun Chevrolet Chevy Van. “Ik ben hier een beetje ingerold door mijn man”, vertelt ze lachend. “Hij kan er uren aan sleutelen en dan is het juist leuk om het hier te laten zien. Je ziet ook steeds meer vrouwen die meegaan en het gewoon hartstikke leuk vinden.” Met z’n drieën bezoeken ze vaker dit soort avonden. “Het is leuk om bij andere auto’s te kijken. Iedereen werkt er hard aan en is er trots op. Je leert ook echt van elkaar.”
Even verderop staat Mark Bijvoet met zijn vriendin Miranda Rus bij hun grijze Chevrolet C10 pick-up. Voor Mark is de auto meer dan een hobby. “Je neemt kinderen of je neemt een dure auto”, grapt hij. “En geloof me, hier zit een hoop geld in. Maar ik heb een rijke vriendin die alles betaald.” Miranda lacht: “In ruil daarvoor kookt hij één keer per week. Mooie deal toch?” (tekst gaat door onder de foto)
Vol trots vertelt Mark Bijvoet (rechts) over zijn geliefde Chevrolet C10 pick-up. (foto: Streekstad Centraal)
Maar achter de humor zit vooral passie. Mark heeft veel tijd gestoken in de onderkant van de auto. “De meeste mensen zien het niet, maar als iemand ernaar vraagt, dan zie je hem helemaal opbloeien”, zegt Miranda. Mark knikt als Streekstad Centraal hem ernaar vraagt: “Ik heb de hele onderkant aangepakt. Die rode stang is eigenlijk het enige wat je ziet, maar er moet nog veel gebeuren. De achterkant moet nog vernieuwd worden en er moeten betere stoelen in. Eigenlijk is zo’n auto nooit af.” Miranda lacht: “Als we nu door de bocht gaan, moet Mark mij soms echt tegenhouden.”
Dat gevoel delen veel bezoekers. Het sleutelen, verbeteren en laten zien van hun voertuig – dat verbindt. “Als kinderen naar de auto zwaaien, geef ik even extra gas”, vertelt Mark. “Of mijn buurjongetje, die neem ik soms mee naar de garage. Dat ritje duurt maar vijf minuten, maar dat maakt echt zijn dag. Dat zijn de kleine dingen.” Even later voegt hij toe: “Ik heb dat vroeger zelf ook meegemaakt. Dat blijft je bij. De liefde voor auto’s is groter dan alleen de auto zelf.” (tekst gaat door onder de foto)
Met veel bewondering kijken de aanwezigen naar de nieuwe auto die aankomt. (foto: Streekstad Centraal)
Voor Andela is het belangrijk dat de bijeenkomst kleinschalig blijft. “In andere plaatsen zie je soms tien keer dezelfde auto. Dan is de lol er snel vanaf. Hier is het nog overzichtelijk en leer je elkaar echt kennen.”
In de zomer staat het terrein vaak vol, maar zaterdagavond is het wat rustiger. “Het is de eerste keer weer dit seizoen”, zegt Andela. “Hoe beter het weer, hoe meer mensen er komen.” “Maar de harde kern komt altijd”, vult Wil lachend aan.
De volgende Night Cruise staat alweer gepland. Op 9 mei, en daarna op 13 juni, 11 juli, 8 augustus en 12 september, telkens vanaf 19.00 uur bij het Strand van Luna. Gewoon, zonder poespas – maar met benzine in de lucht en verhalen op de parkeerplaats.
Een boutje, een schroef, een stripje met gaatjes – ogenschijnlijk simpele onderdelen, maar in de handen van liefhebbers ontstaan complete machines. In Hotel De Rijper Eilanden in De Rijp is zaterdag het nieuwe Meccano-museum ‘Meccano-land’ feestelijk geopend: een plek waar techniek, nostalgie en creativiteit samenkomen. “Echt uniek.”
Het museum is opgezet door Bertus Jongste en zijn compagnon Jan de Goede, beiden lid van het Meccano Gilde Nederland. In samenwerking met het bekende Rijper hotel kregen zij de ruimte om hun droom te realiseren. “We kregen alle vrijheid van het hotel en dat was ook wel echt wat wij wilden,” vertelt Jongste. “We zijn geen normaal museum met vitrines. Hier kun je echt dicht bij de werken komen.”
Dat is te zíén. In een compacte ruimte staan tafels op verschillende hoogtes, gevuld met bewegende constructies van metaal. Alles draait, alles beweegt – alles leeft. (tekst gaat door onder de foto)
Bertus Jongste en Jan de Goede zijn erg trots op hun Meccano-museum in De Rijp. (foto: Streekstad Centraal)
“De spullen die hier staan zijn allemaal geschonken,” legt Jongste uit. “Sommige makers zijn er niet meer, anderen wel. We zijn gewoon heel trots op wat we hier hebben neergezet. Zoiets is er nog niet in Nederland, het is echt uniek.”
Het museum zal alleen op aanvraag geopend zijn. “Dan zorgen wij dat er iemand aanwezig is om bezoekers binnen te laten,” zegt Jongste. “En anders is er nog genoeg te zien door de ramen. Het is verlicht en er beweegt altijd wel iets, dus eigenlijk is het altijd een beetje open.”
Maar wat ís Meccano precies? Het is een metalen bouwsysteem waarbij je met stripjes, boutjes en moertjes werkende constructies maakt. Anders dan modern bouwspeelgoed draait het niet om snel in elkaar klikken, maar om begrijpen hoe techniek werkt. Tandwielen, assen en verbindingen vormen samen echte machines – van kranen tot voertuigen.
Voor Jongste begon die fascinatie al vroeg. “Als klein jochie van zeven kreeg ik mijn eerste setje. Dan ga je gewoon testen en bouwen. En als het niet lukt, haal je het weer uit elkaar.” Die liefde verdwijnt nooit helemaal, merkt hij. “In de puberteit wordt het wat minder, dan komen er andere dingen. Maar later komt het altijd weer terug. Ik rijd soms langs een kraan en denk meteen: hoe zou ik dat bouwen met Meccano?” (tekst gaat door onder de foto)
Dit is de fundering van veel van de bouwwerken in het museum. (foto: Streekstad Centraal)
Ook De Goede herkent dat. “Soms lig ik in bed en denk ik nog aan mijn bouwsel. Dan ga je bedenken wat er beter kan. Je bent er echt lang mee bezig – en dat maakt het juist zo mooi.”
Wat Meccano volgens de mannen bijzonder maakt, is dat er niet met vaste bouwtekeningen wordt gewerkt. Alles ontstaat in het hoofd van de maker. “Met sommige werken ben je ruim driekwart jaar bezig, en als alles dan lukt en loopt zoals je wilt dan geeft dat echt wel een gevoel van voldoening,” vertelt Jongste. “Het gaat niet om snelheid maar gewoon om lekker bezig te zijn en te genieten en echt tot rust te komen.”
Juist dat proces – het eindeloos sleutelen, aanpassen en verbeteren – maakt het voor veel bouwers meer dan een hobby. Het is een vorm van concentratie en ontspanning tegelijk, waarbij techniek en creativiteit hand in hand gaan. (tekst gaat door onder de foto)
In de kleine ruimte staan grootse bouwsels die de bezoekers kunnen bewoneren. Het museum is door zijn opzet anders dan andere musea. (foto: Streekstad Centraal)
Het Meccano Gilde Nederland, waar Jongste en De Goede lid van zijn, telt zo’n 250 leden verspreid over het land. “Op dagen als deze komen we samen om bij te praten, maar ook om van elkaar te leren,” zegt Jongste. “Je doet inspiratie op en ziet hoe anderen dingen aanpakken.” De collectie in De Rijp moet die passie ook overbrengen op bezoekers. “Het zou mooi zijn als er ook jongeren enthousiast worden,” zegt De Goede. “Nu zijn het vooral oudere mensen, maar het is echt iets voor jong en oud.”
Onder de aanwezigen overheerst herkenning. Veel bezoekers groeiden op met Meccano en zien hun jeugd hier opnieuw tot leven komen. “Ik heb hier vroeger uren mee gespeeld,” vertelt een bezoeker glimlachend. “Als je dit ziet, ben je meteen weer terug in die tijd.” Een ander vult aan: “Het mooie is dat alles echt werkt. Dat had je vroeger al, en dat zie je hier nog steeds. Dat maakt het zo bijzonder.” (tekst gaat door onder de foto)
Na de onthuling van de naam Meccano-land was het gezellig druk in het nieuwe museum. (foto: Streekstad Centraal)
Toch merken de initiatiefnemers dat Meccano minder bekend is bij jongere generaties. “Er zijn tegenwoordig zoveel andere dingen – telefoons, games, noem maar op,” zegt Jongste. “Dan raakt Meccano wat op de achtergrond.” Ook de prijs speelt een rol. “Het is geen goedkope hobby, maar je kunt er zóveel mee dat het elke euro waard is.”
De mannen zitten niet stil. “We willen in de toekomst nog een ander deel van het gebouw erbij betrekken,” vertelt Jongste. “Maar alles op z’n tijd. Het moet wel net zo mooi worden als wat er nu staat.” Voorlopig is Meccano-land in De Rijp in ieder geval de enige plek in wijde omtrek waar de techniek en nostalgie van Meccano samenkomen.
De Beun in Heiloo heeft een historie met heel wat moeilijke tijden. Na een faillissement in 2024 werd het beheer overgenomen door inwoners via de Stichting Theater en Filmhuis De Beun, met in ieder geval twee jaar steun van de gemeente. Nu heeft Heiloo met de stichting een nieuw huur- en exploitatiecontract getekend, dat loopt tot en met september 2027.
De Beun heeft meermalen op los zand gestaan. Tot in 2015 was de huur slechts 1 euro. De gemeente wilde daar 38.000 euro van maken. Maar dat kwam weer goed. Toen was er in 2020 en 2021 corona, maar mede dankzij een meerdere financiële injecties van de gemeente kwam De Beun daar ook doorheen.
Nieuw drama volgde begin 2023: de huurachterstand van de toenmalige beheerder Stichting Social Leisure/ Heiloo Aktief was dusdanig hoog opgelopen dat de gemeente het huurcontract opzegde. Eind 2023 stopte de gemeente toch maar geld toe. Het bood slechts zeer tijdelijk verlichting. SSL ging niet veel later over de kop en het doek viel voor De Beun. (tekst gaat verder onder de foto)
Na het faillissement van SSL/Heiloo Aktief viel het doek voor De Beun. (foto: NH Nieuws)
Maar de inwoners lieten het er niet bij zitten en kwamen in actie om De Beun te redden. Met succes. Voor het cultuurcentrum werd een nieuwe stichting opgericht en in juli 2024 kwamen nieuwe afspraken met Heiloo. De Beun kon in ieder geval tot juli 2026 voort.
Nu is daar nog eens ruim een jaar aan vastgeplakt. De ondertekening van het huur- en exploitatiecontract markeert dus een belangrijk moment voor de stichting en alle mensen die De Beun bezoeken.
Bestuurslid Gideon Spermon zei bij het tekenmoment dat het stichtingsbestuur ongelofelijk trots is op iedereen die De Beun liet herrijzen en laat floreren. “De Beun bestaat dankzij mensen. Dankzij de enorme inzet van onze vrijwilligers, die dit theater maken tot wat het is: een plek van ontmoeting, cultuur en verbinding voor heel Heiloo.” (tekst gaat verder onder de foto)
Inwoners van Heiloo organiseerden acties en inzamelingen om ‘hun’ Theater De Beun weer open te krijgen. Met succes. (foto: NH Nieuws)
Cultuurwethouder Antoine Tromp sluit zich daarbij aan. “Ik ben er trots op dat we dit, na alles wat er rondom De Beun is gebeurd, samen kunnen vieren. De stichting heeft, samen met haar vele vrijwilligers, enorme inzet en doorzettingsvermogen laten zien. Los van wat de toekomst na 2027 brengt, is dit een moment om daarbij stil te staan en vooral ook om dank uit te spreken.”
In de komende periode wordt het reilen en zeilen van De Beun onder de loep genomen, zodat het nieuwe college een zorgvuldig besluit kan voorbereiden voor de gemeenteraad over de toekomst van het theater ná september 2027.
Het Paasweekend is vanouds ook een bijzonder weekend voor de vele klokkenspelen die de Lage Landen rijk zijn. Maar doodse stilte op goede vrijdag en stille zaterdag, dat is wel echt iets voor het katholieke zuiden. In Alkmaar tingelde de Waag onverstoord de kwartiertjes af. “Maar ik heb wel ‘The Sound of Silence’ gespeeld zaterdag.”
Stadsbeiaardier Christiaan Winter is van origine kerkmusicus, vertelt hij als Streekstad Centraal hem spreekt over de klokken en het paasfeest. “Voor veel beiaardiers is het ook wel echt zo: niet spelen op goede vrijdag, niet op stille zaterdag. Maar hier in Noord-Holland boven het IJ kennen weinig mensen die traditie, ze zouden er maar raar van opkijken.”
Want een carillon dat niet speelt, dat brengt de tongen in Alkmaar wel los, weet Winter uit ervaring. Mensen raken toch gehecht aan die vaste geluidjes in de loop van de dag. “Ik heb het repertoire net vernieuwd, voor de eerste kaasmarkt.” (tekst gaat door onder de foto)
Stadsbeiaardier Christiaan Winter aan het werk (foto: Streekstad Centraal)
Verse liedjes dus, óók op de dagen die volgens de katholieke traditie stil moeten zijn. “Na witte donderdag gaan de klokken naar Rome”, vat Winter die traditie nog maar even samen. “In de nacht voor Pasen komen ze dan weer terug.” Dat is de ‘Paasjubel’ en die was zaterdagavond ook zeker te horen, maar dat was de verdienste van de katholieke Sint-Laurentiuskerk.
“We leven toch in een geseculariseerde gemeente. De carillons zijn van de gemeente Alkmaar”, overweegt Winter het doorspelen op deze stille dagen. Een kaasmarkt zonder die muziek van de stadsbeiaardier, dat kan toch ook echt niet in kaasstad Alkmaar. “Maar het is ook praktisch: je zet die klokken niet zomaar stil. Dan moet je echt de toren in en een hendel overhalen. Dat zijn apparaten uit de zeventiende eeuw, die trommel draait wel door!”
Zowel de Waagtoren als de Grote Kerk hebben zo’n oud carillon. Verder speelt het klokkenspel van de Kapelkerk nog. Maar ook in De Rijp is een carillon. “Daar heb ik op witte donderdag nog gespeeld”, zegt Winter. “Mozart. Bach. Schmücke dich, o liebe Seele! Ja, dat wel. Ik heb mijn verborgen wapens…” (tekst gaat door onder de foto)
Het is een computer uit de zeventiende eeuw: de trommel van het carillon (foto: Streekstad Centraal)
Als de beiaardier live speelt, probeert hij namelijk wel altijd wat met de actualiteit te doen. Met Pasen is die actualiteit: Pasen. Maar hij speelt dan zeker niet alléén maar klassieke stukken. “Op stille zaterdag heb ik ook ‘The Sound of Silence’ gespeeld, van Simon & Garfunkel. Op die manier speel ik er toch een beetje mee.”
Ook het nieuws van de dag kan een inspiratie zijn, vertelt Winter. Tijdens de Tuinvogelteldag verraste hij zijn publiek met vogelwijsjes. Toen de oorlog in Oekraïne uitbrak, liet hij ‘Imagine’ van John Lennon horen. Dat raakte wel een snaar: “Ja, ik heb daar veel positieve reacties op gehad en dat is heel mooi. Soms denk ik wel: ik speel dit voor mijn eigen plezier, misschien dat de goede verstaander het opmerkt. Maar op zo’n moment merk ik wel: mensen luisteren écht wel.”
De Alkmaarse kaasdragers lopen dit jaar rond met fonkelnieuwe hoeden. En wie dat even had gemist kon er afgelopen vrijdag echt niet omheen, want alle kaasdragers werden uitgebreid gecontroleerd door kaasvader Willem Borst. Het was immers de tweede kaasmarkt van het seizoen en dat betekent: kledinginspectie!
Een lange rij kaasdragers stelt zich op, gegroepeerd op de kleur van het veem – de groep – waar ze bij horen. Dat duurt wel even, kaasdragers zijn niet de meest volgzame types en hebben nog wel eens last van een eigen wil. Maar de strakke sturing van de man met de unieke oranje hoed – de kaasvader – zorgt toch voor het gewenste resultaat.
En dan wordt gecontroleerd. Is de kleding netjes wit. Met een witte onderbroek en sokken er onder. Een zwarte riem en schoenen. En zijn die schoenen wel gepoetst? Eén voor één komen de kaasdragers aan de beurt. Hier en daar volgt kritiek. Maar wat bij iedereen de inspectie met vlag en wimpel doorstaat is die mooie nieuwe gekleurde hoed. Een belangrijk en zeer herkenbaar onderdeel van het kaasdragersuniform.
De inspectie is streng. “Kijk maar kaasvader, ik heb echt een witte onderbroek aan!” (foto: Streekstad Centraal)
De hoeden zijn er in de vier kleuren van de vemen. Geel, rood, blauw, groen en natuurlijk is er één oranje hoed. En oh ja, een paar witte. Sinds dit seizoen allemaal strak in de lak en opvallend fris. Het lijkt niet bijzonder, een nieuwe hoed. Maar dat de kaasdragers nu allemaal dezelfde hoed dragen is helemaal niet ‘normaal’, het is eigenlijk voor het eerst dat zoiets gebeurt.
Want achter die ogenschijnlijk simpele oude strohoeden gaat soms een wereld aan verhalen schuil. Neem bijvoorbeeld kaasdrager Jette de Vries, die maar liefst vijftig jaar met dezelfde hoed liep. “Die was al oud toen ik ’m kreeg,” vertelt hij. “Minstens honderd jaar. En alles wat je ziet, zijn eigenlijk reparaties.”
Die oude hoeden hebben wat meegemaakt. Ze reisden de halve wereld over – zelfs maandenlang naar Japan – waar ze zestien jaar lang dagelijks van ’s ochtends tot ’s avonds werden gedragen door de Alkmaarse kaasdragers. Wind, regen, valpartijen: het liet allemaal zijn sporen na. “Hij waaide nog wel eens af, en dan zat er weer een deuk in,” klinkt het nuchter.
Nu ‘achteloos’ op een emmer liggend, maar 100 jaar of meer in gebruik geweest en vele, vele malen overgeschilderd: mogelijk de oudste hoed in het Gilde van de Alkmaarse Kaasdragers. (foto: Streekstad Centraal)
En toch werden ze niet vervangen. Nee, ze werden geschilderd. En nog eens geschilderd. En nog eens. Tot sommige hoeden zo zwaar waren dat je er – zoals een kaasdrager lachend opmerkt – “iemand mee dood kan slaan.”
Want dat was lange tijd de realiteit: iedere kaasdrager regelde zijn eigen hoed. De één liep met een erfstuk, de ander met een toevallig passend exemplaar van een collega, en weer een ander met een zelf gekochte variant. Oude foto’s laten zelfs zien dat vóór 1922 iedereen gewoon zijn ‘beste zondagse hoed’ droeg.
Kaasdrager Daan Vrees was vorig jaar wel klaar met zijn oude hoofddeksel en verscheen vorig jaar met een nieuw exemplaar. Lichter, comfortabeler en – misschien nog wel belangrijker – een stuk minder gehavend. Dat bleef niet onopgemerkt. “Toen ze dat zagen, dachten ze: dit moeten we voor iedereen regelen,” vertelt hij. (tekst loopt door onder de foto)
Links Jette de Vries (De bougie), rechts Daan Vrees (De Jockey). Dankzij Daan hebben de kaasdragers nu allemaal een nieuwe hoed. (foto: Streekstad Centraal)
En zo geschiedde. Het gilde ging aan de slag, de gemeente hielp mee en uiteindelijk kregen alle 42 kaasdragers een nieuwe hoed aangemeten. Letterlijk: iedereen moest passen. Daarna werden de hoeden bij Stadswerk072 geschilderd en voorzien van de herkenbare kleuren en linten. Een winterklus waar flink de nodige uren in gingen zitten.
De nieuwe hoeden zijn gebaseerd op het oude model, maar dan in een modern jasje. Ze zijn gemaakt van gevlochten materiaal – geïnspireerd op de bekende Panama-hoeden – en komen oorspronkelijk zelfs uit Ecuador. (tekst loopt door onder de foto)
De witte kaasdragershoeden zijn voor de ‘noodhulpen’. Die krijgen een gekleurd lint als ze ‘geclaimd’ worden door een veem. Dan gaat een proeftijd van twee jaar in. Als alles goed gaat volgt daarna een bijnaam en een gekleurde hoed. (foto: Streekstad Centraal)
Toch blijft de traditie hetzelfde. De hoeden horen bij het gilde, niet bij de drager. Ze worden gedragen, gerepareerd, opnieuw geschilderd en hopelijk – als het een beetje meezit – weer honderd jaar oud.
En dat is precies wat de kaasdragers willen. Want hoe mooi die nieuwe, frisse hoedjes ook zijn: een échte kaasdragershoed moet eigenlijk een beetje scheef zitten, een verhaal hebben en vooral… niet te netjes zijn.
Of zoals Jette het samenvat, met een knipoog: “Nieuw is leuk hoor. Maar wacht maar… over een paar jaar zien ze er vanzelf weer uit zoals het hoort.”
Er klinkt applaus. Even daarvoor heerste nog stilte. Iemand leest voor. Iemand zingt. En ergens in de zaal wordt herkenning gevonden in woorden die net zijn uitgesproken. In De Binding in Zuid-Scharwoude kreeg schrijven zaterdag een podium tijdens het eerste Schrijvenswaard Café. “Dit is gewoon ontzettend belangrijk.”
De middag is gevuld met een gevarieerd programma waarin leden van Schrijvenswaard de eigen teksten voordragen. Van persoonlijke verhalen tot speelse gedichten en muzikale optredens: het publiek wordt meegenomen in de verschillende werelden die schrijvers zelf creëren. Het café is niet alleen een podium, maar vooral ook een inkijkje in wat Schrijvenswaard is.
En dat blijkt veel meer dan alleen samen schrijven. “Het is een groep bestaande uit mensen die graag willen schrijven en het gewoon heel erg leuk vinden,” vertelt voorzitter Bea Pols. “Voor iedere bijeenkomst bedenken we een thema en daar schrijft iedereen een eigen tekst over. Het maakt het zo leuk om te zien dat iedereen een onderwerp anders kan interpreteren.” (tekst gaat door onder de foto)
De leden van Schrijvenswaard zijn razendenthousiast over schrijven en hopen dat er meer leden bij hun ‘vriendengroep’ komen. (foto: Streekstad Centraal)
Die diversiteit is precies wat de groep kenmerkt. “Je inspireert elkaar echt, dus het is niet dat je een hele avond naar dezelfde verhalen zit te luisteren,” legt Bea uit. “Neem bijvoorbeeld het woord ‘camerarol’. De een denkt aan foto’s en de verhalen daarachter, terwijl een ander juist denkt aan een ouderwets fotorolletje. Iedereen doet het op zijn of haar eigen manier.”
Dat herkennen de leden zelf ook. “Je hoort dingen waarvan je denkt: wow, zo had ik er helemaal niet naar gekeken,” vertelt een van hen. “Dat maakt het elke keer weer verrassend, en je leert hoe je het een volgende keer zelf kan aanvliegen.”
Er werd zaterdag aandachtig geluisterd naar de gedichten en verhalen die werden voorgedragen. (foto: Streekstad Centraal)
Schrijvenswaard bestaat al sinds 1999 en werd opgericht door Eugènie Herlaar en Siem de Haan. Hun idee: een plek creëren waar mensen samen kunnen schrijven en hun werk kunnen delen. Inmiddels zijn beide oprichters overleden, maar hun initiatief leeft voort binnen de groep. Bea is trots dat zij dat werk mag voortzetten.
“Dit was hun droom,” vertelt ze. “Een middag om samen bezig te zijn met schrijven en te laten zien wat je hebt gemaakt. Ik heb nog contact met nabestaanden en ik ben heel trots dat het werk wordt doorgezet.” Die droom krijgt met het Schrijvenswaard Café letterlijk een podium. En als het aan de organisatie ligt, blijft het niet bij deze ene keer. “Als het eenmaal een keer goed gelukt is, dan is een tweede of derde keer zo geregeld,” stelt Bea enthousiast. (tekst gaat door onder de foto)
Zaterdagmiddag zat de Binding in Zuid-Scharwoude goed vol met schrijfliefhebbers.
In de basis komt de groep tien maanden per jaar bij elkaar, van september tot en met juni. Iedere maand is er een bijeenkomst op een donderdagavond. “Per seizoen bedenken we wat voor bijeenkomsten het worden,” zegt Pols. “Soms nodigen we gasten uit, maar we maken ook gebruik van de kwaliteiten binnen de groep. Leden geven bijvoorbeeld uitleg over een manier van schrijven die ze goed beheersen.”
Voor veel leden zijn die avonden onmisbaar. “Als ik een donderdag niet kan, baal ik echt,” zegt Bea. “Het is zo leuk om met elkaar te praten over alles wat met schrijven te maken heeft. Je leert ook ontzettend veel. Op school krijg je wel iets mee over literatuur, maar de wereld van het schrijven is zoveel groter. En het is gewoon heel erg gezellig. Dat is misschien nog wel het belangrijkste.” (tekst gaat door onder de foto)
Naast leden van Schrijvenswaard waren er ook veel niet-leden aanwezig bij Schrijvenswaard Café. (foto: Streekstad Centraal)
Wat Schrijvenswaard misschien wel het meest bijzonder maakt, is de sfeer. Het is niet alleen een schrijfgroep, maar ook een hechte gemeenschap. “We letten echt op elkaar,” vertelt Bea aan Streekstad Centraal. “We helpen elkaar en leven met elkaar mee. Het is eigenlijk een soort vriendengroep.”
Dat gevoel herkennen de leden zelf ook. “Het mooiste vind ik dat je je teksten met elkaar kunt delen en echt iets aan elkaar hebt,” zegt een van hen. “De ene keer help je iemand, de andere keer helpt diegene jou. Het is zo gezellig en leuk – ik zou het iedereen aanraden.”
Met het café hoopt Schrijvenswaard ook nieuwe mensen te bereiken. En dat lijkt te lukken: er zijn al nieuwe aanmeldingen binnen. “We hebben nieuwe leden nodig om te blijven bestaan,” zegt Pols. “Sommige leden zijn al best op leeftijd, dus wat nieuwe wind in de groep is nooit verkeerd.” Daar zijn de leden het mee eens: “Iedereen geniet hier zo van. Dit is gewoon ontzettend belangrijk.”
Kleur, beweging, zelfs geluid: de alternatieve altaarstukken die sinds deze week te zien zijn in de Grote Kerk van Alkmaar zijn een ervaring. Toch valt voor de oplettende toeschouwer zeker nog wel te herkennen dat de kunstenaar die dit gemaakt heeft oorspronkelijk uit de schilderkunst komt. Zijn naam: Jaehun Park. “Zeer vereerd om in deze ‘great church’ te exposeren.”
In het Engels klinkt het toch net even anders, Grote Kerk. De moedertaal van Jaehun Park is nog een andere: deze kunstenaar komt uit Zuid-Korea, al woont hij tegenwoordig in Amsterdam. Voor de camera van Streekstad Centraal legt hij uit dat zijn bewegende kunst graag prikkelt: “Mijn werk was altijd al een beetje religieus. Tegenwoordig is kapitalisme de nieuwe religie.”
Kapitalisme is een thema, maar ook een ander -isme, de Grote Kerk niet vreemd: toerisme. De kerk is namelijk de perfecte plek om een ander spanningsveld uit te lichten: de tegenstelling tussen erfgoed, dat we willen beschermen, en toerisme, dat datzelfde erfgoed in wezen exploiteert. (tekst gaat door onder de foto)
De brandende molen symboliseert de worsteling tussen toerisme en erfgoed (beeld: Jaehun Park)
Het is het beeld dat Jaehun Park oproept met zijn ‘overheated windmill’. Een molen zoals we ze toch zo graag zien, als iconen van ‘ons’ erfgoed, maar dan door de ogen van al die anderen, al die toeristen – die molen raakt oververhit en vliegt in brand.
Met zijn werk houdt de kunstenaar zijn publiek een spiegel voor. Bij de opening van de expositie zagen we weliswaar vooral Alkmaarse gezichten, uiteindelijk is die Grote Kerk, met tentoonstellingen als deze, ook zélf een toeristentrekker. Dat leidt ook in Alkmaar nog wel eens tot wrijving. (tekst gaat door onder de foto)
Verzamelde bezoekers bij de opening van de tentoonstelling (beeld: Streekstad Centraal)
Eliane Odding is als curator betrokken bij de nieuwe expositie en benadrukt de beeldende kracht ervan. “Het zijn ontzettend meditatieve beelden”, vindt ze. Bewegend, maar tegelijk ook heel erg ‘stilstaand’, zoals een schilderij. Dat Jaehun Park zijn basis heeft in de schilderkunst zien we er dus wel in terug.
Het is niet de eerste keer dat de Grote Kerk zo speelt met de tegenstelling tussen moderne kunst en de klassieke vormen die zo bij dit bouwwerk horen. “Dit past in de serie Halleluja! Actuele altaarstukken”, verduidelijkt Odding. “Dat móet je komen ervaren in de Grote Kerk.”
De werken zijn kleurrijk, maar ook onheilspellend (beeld: Streekstad Centraal)
Een school, twee stoepranden, en een ouder in een opvallend hesje dat kinderen naar de overkant helpt. De klaar-over. Toch een fenomeen, voor wie het woord kent. Zelfs Jip en Janneke zijn ooit klaar-over geweest. Maar het woord raakt langzaamaan in onbruik, signaleerden twee sportschoolvrienden een paar jaar geleden al. Het werd het begin van een bijzonder project. “Echt een bladerboekje.”
Die twee vrienden zijn Andreas Naber, een bekende door zijn werk als journalist, uitgever en spinninginstructueur, en oud-basisschooldirecteur Koert de Groote. “Die keeper? Moeten ze vanaf hoor”, daarover zijn de Alkmaarders het eens. Hun gesprek gaat al heel snel over voetbal, dan weer over oude woorden, dan weer over de actualiteit. Het is duidelijk: deze mannen hebben aan een half woord genoeg.
“Jij bent eigenlijk mijn inspiratiebron”, zegt Andreas tegen Koert als ze samen op de redactie van Streekstad Centraal langskomen om het boekje af te geven. “Leuk hè?” (tekst gaat door onder de foto)
Hulp bij het oversteken bestaat nog, maar klaar-over zeggen we te weinig, vinden de schrijvers (foto: Streekstad Centraal)
‘Vermoorde Woorden’ heet het boekwerk. Het staat vol woorden waar het leven langzaam uit lijkt te vloeien, maar de twee vrienden hopen dat lezers ze toch weer meer gaan gebruiken. “Maar het is niet belerend bedoeld”, relativeert Koert. “Mensen reageren soms wel: je bent een beetje een schoolmeester. Nou ja, dat kan ik ook weer niet ontkennen.”
Van petoet tot potjandosie. Van woelwater tot droogstoppel. Van tieren tot konkelefoezen. Het zijn typische ‘o ja’-woorden. “We wilden niet dat het alleen maar woorden zouden zijn die mensen moeten opzoeken. Het is juist leuk als lezers denken: hee, dat woord ken ik”, legt Koert uit. Daarom zou het boek ook juist zo geschikt zijn voor basisscholen, denkt hij: het is ook voor de jonge generatie nog herkenbaar.
“Mijn dochters zijn onder de dertig. Heel ontwikkeld hoor. Een ideaal testpubliek, als ijkpunt”, vult Andreas aan. “Ze bleken toch best wat van die woorden helemaal niet te kennen. Nou, dan ik ze dus dit boekje geven.” (tekst gaat door onder de foto)
Koert (links) en Andreas bléven elkaar maar ‘vermoorde woorden’ appen (foto: Streekstad Centraal)
Al jaren appten Koert en Andreas woorden naar elkaar. Die appgesprekken werden de basis van het boek. “Nadat ik was gestoopt met werken ben ik er echt voor gaan zitten”, vertelt Koert. “Die woorden in een lijst zetten. Ik begon met 3.709 woorden maar daar zaten nog dubbele tussen. Sommige hadden we wel zeven of acht keer heen-en-weergestuurd, achteraf.” In stappen werd de lijst korter, beter, urgenter.
De woorden komen van overal. Het is duidelijk dat we de taal hier bekijken door de ogen van Koert en Andreas. Sommige woorden zijn echt Noord-Hollands, zoals glauwen, of buultje. Anderen verwijzen direct of indirect naar hun gedeelde passie, de voetballerij. Hoe een speler gesneefd kon zijn, als anderen hem aan het mangelen waren. Of hoe ze zelf aan ‘stoepranden’ deden toen de straten nog zonder auto’s waren.
“Het is puur hobby geweest”, zegt Andreas erover. “Weet je, dat boekje, ik hoef er geen geld aan te verdienen ook. De vraagprijs is een tientje. Wel met een harde kaft, dat wel.” Zijn favoriete woord? Noest. Want noeste arbeid telt. Het boek kan worden besteld via andre@andrenaber.nl.
Ze bestaan nog: ouderwetse wandelgidsen. Een bijzondere die deze week is verschenen, loodst de wandelaar langs allerlei speciale plekken die met waterbeheer te maken hebben. In het boek staan tien wandelingen, waarbij je ook zomaar in het kantoor van het hoogheemraadschap in Heerhugowaard kunt belanden.
De gids, samengesteld door routemakers Cock Hazeu en Peter Kuiper, bevat dagtochten van ongeveer veertien tot zeventien kilometer. De routes lopen van Texel tot aan Amsterdam-Noord en voeren langs verschillende kenmerkende plekken in de regio. Zo komen wandelaars onder meer langs droogmakerijen, dijken en historische dorpen.
Het voorwoord komt van dijkgraaf Remco Bosma van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Hij kreeg het eerste exemplaar overhandigd van de auteurs. Volgens de dijkgraaf biedt de gids een manier om het landschap en het werk van het waterschap beter te ervaren. (tekst loopt door onder de foto)
Het kantoor van HHNK, dat deel uitmaakt van één van de wandelroutes. (foto: HHNK)
“Wij zijn trots dat HHNK het zevende waterschap is met een eigen wandelgids”, vertelt de dijkgraaf. De gids telt 128 pagina’s en is onderdeel van een reeks wandelboeken die zich richten op waterschapsgebieden in Nederland. De routes laten zien hoe waterbeheer en landschap in de regio met elkaar samenhangen.
Bijzonder is dat de wandeling door Heerhugowaard en het Rijk der Duizend Eilanden door het hoofdkantoor van het hoogheemraadschap loopt. Wandelaars kunnen daar tijdens kantooruren een museumcollectie over waterbeheer bekijken.
De wandelingen zijn zo opgezet dat ze starten en eindigen in de buurt van openbaar vervoer. Daarmee zijn ze ook zonder auto goed bereikbaar. De route door Heerhugowaard kan gratis worden gedownload.