Na de gewelddadige dood van een Britse crimineel in Heerhugowaard was het noodzakelijk om de twee verdachten onder ‘bijzonder regime’ te plaatsen. Politie en justitie hielden er namelijk mee dat de Engelse onderwereld wel eens wraak zou kunnen nemen. Inmiddels zou hier geen sprake meer van zijn.
Dat bevestigen de advocaten van de twee verdachten aan NH, mediapartner van Streekstad Centraal. Dat de gezochte crimineel Paul Parker in juni dit jaar door geweld om het leven kwam in een bedrijfspand aan de Coulombstraat in Heerhugowaard bleef in de Engelse onderwereld niet onopgemerkt, blijkt uit hun verhaal.
Volgens de informatie waarover de politie beschikte zou er vanuit Engeland iemand naar Nederland worden gestuurd om de vermoedelijke daders te liquideren. (tekst gaat door onder de foto)
Bij de reconstructie in augustus waren de verdachten aanwezig. (foto: PersfotoNH)
In het bedrijfspand van de Heerhugowaardse autodealer René S. (65) ging het in juni helemaal mis. Volgens de beschuldigde greep hij in toen Parker instak op zijn medeverdachte John S., de dood van de voortvluchtige Brit zou een geval van noodweer zijn geweest.
Noodweer of niet, de dood van Parker lokte heftige reacties uit, die de politie zo serieus nam dat zowel John als René onder ‘bijzonder regime’ werden geplaatst voor hun eigen veiligheid.
Daarnaast zou ook voor familieleden en een advocaat zijn gevreesd. Inmiddels is van een acute dreiging geen sprake meer, volgens de informatie van de politie.
“We kregen geen enkele duiding over hoe of wat”, verklaart de advocaat tegenover NH Nieuws. “Heel toevallig dat net een paar dagen voor de zitting alle dreiging verdampt is. Heel ongeloofwaardig.”
In augustus waren beide verdachten nog aanwezig bij een grote reconstructie op de plaats delict. Toen zou de dreiging nog wél actueel zijn geweest. Bij de reconstructie was een grote politiemacht op de been, maar of dat met deze dreiging verband hield wil de politie niet zeggen.
De zorg is ánders dan mensen zien, en tegelijk is de zorg straks overal. Voor Roy Korbijn uit Zuid-Scharwoude is het een belangrijke missie om zo veel mogelijk van de zorg te laten zien, erover te vertellen, om mensen zo mee te nemen in de grote vragen waar hij en zijn collega’s mee te stellen hebben. “Je moet zeggen waar het op staat.”
Korbijn is genomineerd voor de mooie titel ‘zorgprofessional van het jaar’ en bereikte de finale. Deze verkiezing van de omroep EO samen met IZZ en Mercy Ships is voor hem meteen een ideale gelegenheid om zijn verhaal te doen voor een nóg breder publiek. “Ik ben de hele dag met zorg bezig, dus ja, ik heb er wel een mening over en die geef ik ook.”
Dat Korbijn altijd met zorg bezig is heeft ook met zijn persoonlijke situatie te maken. Hij groeide op met een zusje met het syndroom van Down. Zorgen voor anderen is deel van hem geworden, hij zorgt nu ook zelf voor zijn zusje. (tekst gaat door onder de foto)
Roy Korbijn tussen de andere genomineerden. Zijn nadruk op de familiekant is één van de zaken waarin hij zich onderscheidt. (foto: EO)
Streekstad Centraal spreekt Korbijn als hij net uit de nachtdienst komt. “Maar ik ben morgen vrij, dus ik ga nu nog niet meteen mijn bed in. Anders slaap ik vannacht niet meer. Als ik meerdere nachtdiensten achter elkaar draai, ja, dan slaap ik wel overdag.”
Het brengt meteen één van de dingen op tafel waar het altijd over gaat als het over zorg gaat: dat het werk zwaar is. Dat is het ook wel, ziet Korbijn, maar hij ziet vooral ook de mooie kanten van het werk. “Ik vind ook dat ik álle soorten diensten moet doen. Ik wil ook weten hoe het ‘s nachts met mijn patiënten gaat.”
Die betrokkenheid gaat voor Korbijn dus verder dan ‘het is wel hard werken’ of ‘er is te weinig budget’, uiteindelijk komt het zorgen ook vanuit de zorgverlener zelf, is zijn filosofie. “Het zit in je, of het zit niet in je. En als het niet in je zit moet je er ook gewoon niet mee doorgaan. Dan moet je een andere keuze maken.”
Voor Korbijn is de keuze in elk geval helder: zórgen. Hij werkt bij de Pieter Raat Stichting in Heerhugowaard en zorgt daar voor ouderen, waarbij hij ook de rol van eerstverantwoordelijke verzorgende (EVV’er) heeft. Dat betekent dat hij voor zijn patiënten het eerste aanspreekpunt is.
“Maar dat wil ik dan ook voor de familie zijn. Die familiekant, dat is iets dat ik heel belangrijk vind. Ik zeg tegen familieleden: al belt u me honderd keer… Ik probeer de bewoner individueel op te zoeken, echt het gesprek aan te gaan. Ik doe dit wel met respect, weet dat iemand een patiënt van mij is.” (tekst gaat door onder de foto)
Als EVV’er gaat Korbijn echt het gesprek aan met zijn patiënten. (foto: EO)
Niet te afstandelijk, niet te zakelijk: dan komt zorg het beste tot zijn recht, is de overtuiging van Korbijn. “Je moet ook een beetje rebels zijn. Ik geef mijn mening als ik denk dat mijn patiënt niet krijgt wat ie nodig heeft. Er zijn in dit werk héél veel discussies die we moeten voeren – en te vaak worden die niet gevoerd. De zorg is anders dan mensen zien.”
Niet alleen bij de Pieter Raat Stichting laat Korbijn van zich horen. Hij zet zich ook in voor de vakbond, kent zijn weg in de lokale politiek, is actief in zijn eigen dorp. En hij zorgt dus voor zijn zusje. “Ik kan veel van mijn werk wel op mijn werk laten hoor, maar zorg zit gewoon in alles wat ik doe.” Het is er altijd, het is overal. En wat Korbijn betreft kunnen anderen daar maar beter ook een beetje op voorbereid zijn.
“Het is voor mij een grotere zorg dan het personeelstekort, wat er op ons als maatschappij afkomt”, overweegt hij. De vergrijzing gaat voor heel nieuwe situaties zorgen. “Met een ‘dementievriendelijke gemeente’ ben je er dan nog lang niet hoor. We moeten ons als samenleving voorbereiden op zorg, heel veel zorg. Alleen doen we dat nu niet. Er is bijna geen beleid.”
Wat Korbijn al wel doet, zijn werk bréder trekken, ook buiten de muren van het verpleeghuis, dat zal meer en meer nodig zijn. Ook daarom wil hij zijn verhaal doen, in blogs, op sociale media, op tv bij de verkiezing tot zorgprofessional van het jaar – ook dat: overal, altijd.
“Daarom probeer ik te laten zien wat ik doe, met mensen persoonlijk, met hun familie. Maar ook met mijn zusje. Mensen zijn méér dan hun beperking. Dat heb ik thuis al geleerd en dat blijf ik vertellen. Dat is ook iets van die rebelsheid, zeker. Maar ook: blijf van anderen leren. Daar gaat het om.” (hoofdfoto: EO)
Nikita Wessendorp en Adriaan van ‘t Hoenderdal zijn dit jaar tien jaar getrouwd. Maar dat jubileum heeft weer te maken met een ánder jubileum, namelijk dat van de Alkmaarse scholengemeenschap Jan Arentsz, die 75 jaar bestaat. Sterker nog: beide jubilea worden op precies dezelfde dag gevierd. “We hebben kaarten, zeker!”
Het verband tussen beide feestelijkheden laat zich raden: Adriaan en Nikita ontmoetten elkaar in hun middelbareschooltijd op het Jan Arentsz. Al zit dat nog nét iets anders, blijkt als Streekstad Centraal de twee geliefden spreekt op een druilerige woensdagmorgen in de binnenstad van Alkmaar.
“We hadden elkaar eigenlijk nooit gezien”, vertelt Nikita. “We vielen elkaar dus niet echt op. Tot die werkweek…” Adriaan vult aan: “Naar de Ardennen. Met de bus.” (tekst gaat door onder aan)
De twee gebouwen van het Jan Arentsz. Adriaan en Nikita moeten elkaar hier vaak zó voorbij zijn gelopen, tot die werkweek. (foto: Streekstad Centraal)
Nikita zat op de havo, Adriaan op het vwo. Tijdens die werkweek hadden ze elk hun eigen programma, maar in de bus ernaartoe zat Nikita op het bankje voor Adriaan. En dat was blijkbaar genoeg om de vonk tóch over te doen slaan. “Daarna zijn we inderdaad gaan afspreken”, zegt Nikita.
“Eigenlijk wilden we helemaal niet naar de Ardennen”, herinnert Adriaan zich. “Het was voor ons allebei niet de eerste keus. Maar het is dus toch maar goed geweest…” En het was ook echt wel een mooie werkweek, met veel avontuur. Ze kijken er nu samen met dubbel plezier op terug.
Nikita vertelt hoe het daarna verder ging: afspreken, samen naar de bioscoop. De eerste echte zoen op het schoolfeest, in de vroegere discotheek Extase. Samen naar het vuurwerk kijken op 8 oktober. Het voelde goed, maar een naam had het toen nog niet, deze ontluikende liefde van twee tieners. (tekst gaat door onder de foto)
De datum in hun trouwringen is niet de huwelijksdatum, maar die ándere dag… (foto: aangeleverd)
Dat vuurwerk, dat was toch de spreekwoordelijke klapper. “Ik dacht, wat gaan we nou doen, wat is het?” vertelt Adriaan. “De volgende dag ben ik naar haar huis gegaan. Ik vond het héél spannend. Bij de voordeur heb ik verkering gevraagd.”
Hij vroeg het ‘aan’, Nikita zei er natuurlijk ‘ja’ op – en zo werd 9 oktober hún dag. “Die datum staat ook in onze ringen, ook al zijn we op 30 september getrouwd”, zegt Nikita. En 3 oktober, de dag van de reünie, ligt daar precies tussenin. “Dan willen we dus vieren dat we tien jaar getrouwd zijn.”
Want het hield dus stand, dat prille geluk op 9 oktober bij een voordeur in De Mare. Al achttien jaar houdt het stand: deze liefde is volwassen. “Na de middelbare school ging ik in Haarlem studeren, hij in Alkmaar, maar we bleven elkaar gewoon zien. We gingen samenwonen. Acht jaar na dat moment bij de voordeur trouwden we hier in het stadhuis en vierden ons feest op het strand van Castricum.”
Een mooie dag, herinnert Adriaan zich. “We houden er allebei niet zo heel erg van om in het middelpunt te staan, maar toen was het goed. Met precies de mensen die we er graag bij hadden, niet te groot.” (tekst gaat door onder de foto)
Het Alkmaarse stadhuis was de plek waar Nikita en Adriaan tien jaar geleden trouwden. (foto: Streekstad Centraal)
Na de huwelijksdag volgde een huwelijksreis van drie maanden, door Zuidoost-Azië. Samen leerden ze er duiken langs de Thaise stranden. Ze kochten er elk hun eigen motor en gingen kriskras door Vietnam. Ze beklommen de hoogste berg van Borneo. Zo groeide wat begon in een doodgewone bus naar de Ardennen uit tot het grote avontuur dat ze toen misschien al heel even voor ogen hebben gehad, als liefdesdroom.
Inmiddels wonen ze zelfs in het vroegere ouderlijk huis van Nikita, dat ze konden overkopen. Die beroemde voordeur komt dus ook nog terug in hun verhaal. Intussen vormen ze zelf een gezin met een dochter en een zoon. (tekst gaat door onder de foto)
De huwelijksreis van Adriaan en Nikita was een prachtig avontuur. (foto: aangeleverd)
Op school was het nog klein allemaal. “Toen het eenmaal aan was, wisten we elkaars kluisjescode en verstopten we cadeautjes voor elkaar”, vertelt Adriaan. “Een briefje, een snoepje, iets kleins. Dan had je de hele dag iets om naar uit te kijken.” En ze spraken af bij de lift. “Daar mochten we helemaal niet in, we hadden ook de sleutel niet. Maar als de deuren toevallig opengingen, glipten we naar binnen. Even samen staan tussen twee lessen, snel een kusje stelen — tot iemand anders op het knopje duwde en we er weer uit moesten.”
Uiteraard koesteren ze ook gezamenlijke herinneringen aan de school zelf, al zaten ze dus nooit bij elkaar in de klas. De kleurrijke meneer Mans bijvoorbeeld, van Nederlands. “Die was zó anders”, zegt Nikita. Daar leerden ze ook weer van, realiseert Adriaan zich nu. “Juist doordat hij zo anders was liet hij zien: je kunt zijn wie je bent. Dat was belangrijk, op die leeftijd zijn mensen vaak nog onzeker.”
Nikita vult aan dat ook andere leraren voor haar dat verschil maakten, door haar écht te motiveren. “Toen vond ik nog wel eens: ach, school, stóm. Maar als je ouder bent kijk je daar wel anders naar. Het heeft impact gehad.” (tekst gaat door onder de foto)
Het Jan Arentsz blijft een plek van veel gedeelde herinneringen. (foto: Streekstad Centraal)
Tussen alle mooie herinneringen zijn er ook sombere. Net als oud-directeur Jan Alex Brandsma noemen ze de dood van Gerd Nan van Wijk, door zinloos geweld. Maar Nikita herinnert zich ook het pesten in de klas en hoe een klasgenoot daardoor de verschrikkelijke beslissing nam om uit het leven te stappen. “Dat was ook zó erg, daar denk ik nog wel aan terug. Gelukkig hadden we wel elkaar dan, in de klas.”
Op de dag van de reünie zullen oudleerlingen, oudleraren en ook de mensen die dat allebei tegelijk zijn al die herinneringen samen bovenhalen. Nikita en Adriaan willen het niet missen, zeker niet. Al hebben ze op 3 oktober dus eigenlijk zélf een feest. “Ja, ze hadden ons wel even om toestemming mogen vragen”, lacht Adriaan.
Maar ze hebben tóch jonge kinderen en zo is dat voor veel mensen in hun vriendenkring, dus het is prima om dat huwelijksjubileum overdag te vieren. Dan zijn de kinderen er ook gezellig bij. En ‘s avonds kunnen hun ouders dan alsnog naar die reünie, om weer even stil te staan bij hoe het ooit allemaal begon. En over een jaar of tien vertellen ze hun kinderen dat een werkweek waar je niet heen wil bést goed kan uitpakken.
De intocht van de Sint in Koedijk hield de gemoederen op het Alkmaarse stadhuis de afgelopen weken bezig, al zal de goedheiligman zelf nog wel in Spanje zitten. Dát het er zo lang over ging had alles te maken met de toch wat ingewikkelde regels rond de subsidie voor zo’n intocht. Koedijk verzon een list – en die werkte toch een beetje.
Sinterklaas, dat weet iedereen, is één en al magie. Maar ook in dit ogenschijnlijk stoffige dossier blijkt dat er met een beetje goede wil valt te toveren. Zij het voor één keer.
De kwestie, als zo vaak: geld. Koedijk kreeg voor de traditonele intocht van Sinterklaas de afgelopen jaren een subsidie van 2.600 euro voor een mooie intocht en rekende daar ook dit jaar weer op. Maar tot grote schrik van de organisatie zegde de gemeente Alkmaar niet meer dan 1.000 euro toe. (tekst gaat door onder de foto)
Archiefbeeld van de intocht. (foto: Marco Schilpp)
Nieuw beleid, schrijft wethouder Marius Wiegman nu. “De nieuwe nadere regels subsidie bewonersinitiatieven zijn met ingang van 19 september 2024 vastgesteld. In deze aangescherpte regeling staat dat voor een buurtfeest maximaal 1.000 euro wordt toegekend.”
Er zit dus niet meer in dan die 1.000 euro, want zo’n intocht ziet Alkmaar als een buurtinitiatief. Het Koedijker raadslid Coene Wouters van PRO zag juist daar een mooie opening in de regels. Koedijk is immers recent erkend als dorp en dan zou dit initiatief dus anders beoordeeld moeten worden, was deze zomer zijn redenering.
Daarmee zette hij de ambtenaren op het Alkmaarse stadhuis wel even aan het werk, de beantwoording van de raadsvragen liet op zich wachten. Maar nu blijkt dat die redenering toch niet opgaat: “Koedijk heeft een dorpsstatus, maar elk dorp is volgens de CBS wijk- en buurtindeling een buurt”, schrijft de wethouder. “De aanvraag is daarom als een buurtfeest beoordeeld.”
Dat betekent dat volgens de geldende regels Koedijk recht heeft op 1.000 euro subsidie, meer zit er eigenlijk niet in. (tekst gaat door onder de foto)
Marius Wiegman maakt eenmalig een uitzondering voor deze Koedijker traditie. (foto: Streekstad Centraal)
Toch wil de wethouder wel met zijn hand over zijn hart strijken, omdat hij ook wel begrijpt dat dit voor de organisatie van de Koedijker intocht een bittere pil is. “De Sinterklaasintocht is een mooie traditie”, vindt ook wethouder Wiegman. “Wij hebben daarom besloten om dit jaar het aangevraagde bedrag van 2.700 euro alsnog toe te kennen.”
Voor dit jaar is de intocht daarmee uit de brand. Maar deze tovertruc werkt volgens de gemeente maar één keer. Volgend jaar moet de organisatie dus echt andere financiële bronnen aanboren, dan geldt de regel die voor alle initiatieven geldt: 1.000 euro, meer niet. (hoofdfoto: Rob Wokke)
Er is uitgebreid over gepraat, maar het lijkt erop dat het bij praten is gebleven. De overlast die bewoners van het Broekerplein in Broek op Langedijk ervaren van langssnellende fatbikes en e-bikes is onverminderd actueel, merkt de fractie van Lokaal Dijk en Waard. Met nieuwe raadsvragen hoopt de partij de kwestie hoog op de politieke agenda te houden.
Daarmee komt een wens van betrokkene Lenie de Vries in vervulling. Zíj was het die eerder dit jaar sprak over de impact die de overlast op het plein heeft gehad op het leven van haar ouders en dat van haar. Een aanrijding door een fatbike verwondde haar vader zo erg dat hij nauwelijks nog wat kon doen op een dag.
Mevrouw De Vries liet vorige week weten dat haar vader helaas is overleden. Dat zij het zo voor hem opnam tegenover raadsleden, had tegelijk niet tot verandering geleid, moet ze vaststellen. “Ik had de hoop dat inmiddels de bewoners in de appartementen veiliger hun boodschappen kunnen doen. Niets is minder waar.” (tekst gaat door onder de foto)
Aan het Broekerplein staan appartementen. Bewoners hoopten dat ze hier een veilige woonomgeving zouden hebben. (foto: Streekstad Centraal)
Dat herkent ook raadslid Lea van der Zee, fractievoorzitter van Lokaal Dijk en Waard. “Lokaal Dijk en Waard deelt haar zorgen en ontvangt naast haar bericht nog steeds aanvullende zorgen van omwonenden over de onveiligheid op en rond het Broekerplein”, schrijft ze. Het verhaal van mevrouw De Vries staat dus zeker niet op zichzelf.
Een andere inrichting van het plein zou een einde moeten maken aan het vaak roekeloze rijgedrag. De veroorzaker van het ongeluk met de vader van Lenie de Vries reed na het ongeluk dóór, liet de gewonde man achter in een plas bloed. Ook dat schokkende feit lijkt weinig aan het rijgedrag hier veranderd te hebben.
“Welke concrete maatregelen zijn daadwerkelijk genomen of uitgevoerd op het Broekerplein?”, wil Lokaal Dijk en Waard weten, nu het maanden na de collegevergadering in mei dus niet bepaald beter blijkt te zijn geworden. (tekst gaat door onder de foto)
Fatbikes zijn inmiddels een vast onderdeel van het straatbeeld. (foto: Streekstad Centraal)
“Het college stelde in juni dat overtredingen zich met name voordoen op momenten zonder toezicht”, brengt Van der Zee in herinnering. “Is er inmiddels sprake van gerichte handhaving of toezicht op het Broekerplein, en zo ja, met welke frequentie?”
Van der Zee verwijst hierbij ook naar een unaniem aangenomen motie: ‘Weg met de fatbike overlast, herstel de rust op onze wegen!’ Die motie kwam uit juli 2024 en is intussen ruim twee jaar oud. “Hoe verklaart het college dat er nog steeds geen zichtbare verbetering is voor de bewoners van de seniorenwoningen?”
Het college heeft dertig dagen om op de vragen van Lokaal Dijk en Waard te antwoorden. In afwachting daarvan ziet mevrouw De Vries het nog aan de lopende mis gaan op het Broekerplein. “Het is bizar vandaag wederom zelf te ondervinden dat fatbikes en elektrische fietsen gewoon dit plein gebruiken als een snelle kortere manier om van de ene kant naar de andere kant te komen. Heel teleurstellend.”
De geuren van dille en peterselie, het heldere rood van versgeplukte paprika’s, de frisse wijnen van haar glooiende land: voor Vera Stupenea uit Heiloo zijn het oude herinneringen, die ze nu voor iedereen tastbaar heeft gemaakt in een rijk geïllustreerd kookboek: De smaak van Moldavië. “Wij gingen het bos in om zelf paddenstoelen te plukken, maar in dit recept schrijf ik: champignonsoep.”
Nee, helemaal zoals in Moldavië zal het hier in Nederland niet gauw smaken. Wat we hier bij de supermarkt kopen is nou eenmaal heel wat anders dan wat er in Moldavië in de schappen ligt. Dáár groeien de courgettes en de aubergines bijna vanzelf, is alles zo vers, zo dichtbij. “Hier in Nederland kopen de mensen gesneden groenten in zakjes. Nee, de Moldavische keuken is niet een hele snelle keuken, je moet er wel tijd voor nemen…”
Vera Stupenea, schrijfster en niet in de laatste plaats honorair consul van het land waar ze opgroeide, is intussen thuis in Heiloo, maar sommige Nederlandse gewoontes verwonderen haar toch nog. In ‘De smaak van Moldavië’ houdt ze desondanks wél rekening met wat hier te krijgen is. (tekst gaat door onder de foto)
Vera Stupenea gebruikte de handgeschreven recepten van haar moeder voor een modern kookboek. (foto: Streekstad Centraal)
“Dit begon eigenlijk bij mijn zoons”, vertelt ze. “Die zijn Nederlands hoor, al spreken ze ook Russisch. Maar het oude kookboekje van mijn moeder, met al die handgeschreven recepten, dat konden zij niet lezen. Toen ben ik begonnen de recepten naar het Nederlands te vertalen.” Als schrijfster van thrillers wist ze wel hoe ze een boek uitgegeven moest krijgen en zo werd het een serieus project.
De 73 verzamelde recepten samen lezen als een veelkleurige geschiedenis van haar land. “Moldavië is onderdeel van vele rijken geweest”, vertelt ze als Streekstad Centraal met Stupenea afspreekt in Restaurant Julie’s in Bergen. “Het Ottomaanse rijk, en de Sovjet-Unie natuurlijk. Er zijn heel veel invloeden van andere landen. Maar er zijn wel dingen die als typisch Moldavisch worden gezien, zoals onze kippensoep met zure room, en het opgerolde bladerdeeg met allerlei soorten zoete vulling.” (tekst gaat door onder de foto)
In het boek is ook veel aandacht voor desserts: gevulde pruimen, appels met nootjes erin, een taart van pannenkoeken… (foto’s: Alex Perov)
Daarmee noemt ze al twee typische smaken: friszuur, zachtzoet. De keuken is vooral heel veelzijdig. Gevulde knoedeltjes zoals mensen die misschien kennen uit de Poolse keuken, zeker, die zijn er ook. Gevulde koolrolletjes, ook een klassieker uit vele keukens in die regio.
Die koolrolletjes maak je haast hetzelfde als de gevulde druivenbladeren, legt Stupenea uit. Díé zullen Nederlanders misschien eerder als Griekse dolmades kennen, al zijn ze ook Turks, Perzisch – ver reiken de smaken. Gevulde paprika’s sieren de voorkant van haar boek. Humus, ook dat is Moldavisch. Maar dan wel van witte bonen. (tekst gaat door onder de foto)
Het in Moldavië beroemde kinderboek over Guguță inspireerde tot een inmiddels klassieke taart. Stupenea vertaalde ook het kinderboek naar het Nederlands. (foto: Streekstad Centraal)
“Als we vroeger buiten aan het spelen waren roken we vanaf een uur of vijf wie er aan het koken was”, herinnert Stupenea zich. “De geur van gebakken paprika’s! We aten altijd heel veel groente. Polenta, van maïs. Dat is ook heel typisch voor de Moldavische keuken.”
In de nadagen van de Sovjet-Unie dwong schaarste de Moldaviërs tot creativiteit, herinnert Stupenea zich. “Als mijn moeder naar de winkel ging wist ze niet welke groente er zou zijn”, zegt ze. “Wat ook zo was in die tijd: alles was hetzelfde, mensen hadden allemaal precies dezelfde glazen in huis. Mijn moeder schrijft in haar kookboek: één glas bloem. Dat was toen voor iedereen duidelijk, hoeveel dat was.” (tekst gaat door onder de foto)
Wat op het eerste oog een taart is, blijkt bij nadere bestudering een frisse salade van bieten en haring: Salată Suba. (foto: Alex Perov)
Het zijn dingen die ze bij het vertalen en omwerken van de recepten moest uitzoeken voor ‘De smaak van Moldavië’. Ze liet zich ook adviseren door een culinair redacteur, om alles goed te laten kloppen. Ze veranderde ingrediënten: echte ‘brânză’ is hier niet te krijgen, feta wél.
“Bij ieder recept heb ik een wijnadvies gezet, dat is dan wel echt Moldavische wijn. Nee, die kun je nu nog niet krijgen in onze buurt, dat is heel jammer. Maar ik weet dat Rootring uit Alkmaar naar mijn proeverij komt…” (tekst gaat door onder de foto)
Veelzijdige hartige smaken: ‘zeamă de pui’ (kippensoep), varkensstoof met ‘mămăligă’ en kalfsvlees uit de oven – met veel groente. (foto’s: Alex Perov)
Donderdag 24 september is de officiële boekpresentatie, mét een proeverij van Moldavische gerechten. Dat gebeurt bij Restaurant Herberg Jan in Heiloo. “We hebben twee sessies en het zit al bijna vol! Dat laat zien dat er belangstelling voor is.”
Er is niet eens één Moldavisch restaurant in Nederland, verzucht ze. Wie al deze smaken wil proeven met op reis, of zélf aan de slag in de keuken. Daarvoor is nu dus dit boek. “Dit kwam zomaar op mijn pad, ik dacht: dit bestaat nog niet in het Nederlands. Nu bestellen bedrijven het bij me als relatiegeschenk. En de premier van Moldavië krijgt ook een exemplaar. Hij heeft jaren hier gewoond en spreekt vloeiend Nederlands.”
Zo groeit wat begon met de recepten van haar eigen moeder uit tot een steeds breder project, dat een nieuwe basis legt voor uitwisseling tussen Nederland en Moldavië. “Ik wil een netwerk opzetten”, zegt de honorair consul. “Zodat mensen met elkaar in gesprek gaan. Dit is een mooi begin. Proeven van de smaak van Moldavië.”
De parkeerplaats van station van Castricum was donderdagmorgen het toneel van een aanrijding, waarbij een fietser zo ernstig gewond raakte dat ambulancepersoneel besloot het slachtoffer mee te nemen naar het ziekenhuis. De aanrijding vond plaats rond 8:45 uur.
Een automobiliste die over de parkeerplaats reed botste op dat moment hard op de racefietser. Vermoedelijk heeft zij de fietser over het hoofd gezien. De politie en de ambulance haastten zich daarna naar de plek van het ongeval. De fietser had een harde val gemaakt, die verdere verpleging noodzakelijk maakte.
De politie onderzocht de toedracht van het ongeval en nam de racefiets mee naar het politiebureau. Wat voor verwondingen het slachtoffer opliep is niet bekendgemaakt.
Iedere klant weet dat hij met hetzelfde zinnetje zal afsluiten, nadat de platen en cd’s zijn afgerekend: tot niet meer ziens. Nog eens winkelen in de unieke sfeer van Good Times, het zit er niet meer in. De winkel sluit eind deze maand en daarmee komt een einde aan een bijzondere Alkmaarse geschiedenis. “Niet invullen voor een ander.”
Dat is de filosofie van eigenaar Rolf Barendrecht. “Afgekort: NIVEA. Ja, noteer dat maar.” Tijdens het interview door Streekstad Centraal houdt Rolf de regie, zoals hij dat gewend is – als winkeleigenaar, maar ook als ervaren platenhandelaar. “Op een gegeven moment lag ik in Caracas op de grond, mijn handen zó, met een pistool in m’n nek. Toen dacht ik: waarom doe ik dit eigenlijk nog?”
Bendegeweld deed hem uiteindelijk ook echt besluiten om te stoppen met zijn lucratieve handeltje in Zuid-Amerika. In platen, wel te verstaan, al zullen die bendes die op zijn pad kwamen andere handeltjes bedreven hebben. Maar toen Rolf dat besloot, in 2007, was hij toch al heel wat avonturen verder. (tekst gaat door onder de foto)
De verdieping is al grotendeels leeggehaald, maar de sfeer is er nog. (foto: Streekstad Centraal)
Hij vertelt er met smaak over. Dat weten ook de andere aanwezigen in zijn winkel. “Als Rolf eenmaal op zijn praatstoel zit stopt ie niet meer hoor, pas maar op. Je hebt geen andere afspraken staan hoop ik?” De verslaggever van Streekstad Centraal weet waar ie aan begint, zo veel is duidelijk.
Maar meer dan om een begin gaat het vandaag om het einde. Good Times zal gemist worden, door de klanten, door het personeel. Dat weet Rolf maar al te goed en de beslissing is dan ook niet licht genomen. “Soms worden ándere dingen belangrijker”, verzucht hij. “Ik heb hier wel lang over nagedacht.”
Rolf wijst om zich heen, naar de muren die nu leeg zijn. “Ze zeiden: die houden dat nooit, al die platen. Nou, ze hebben het toch mooi overleefd. Wat het hierna gaat worden? Ik heb geen idee. Ze zullen er eerst veel aan verbouwen denk ik.” (tekst gaat door onder de foto)
Het karakteristieke pand aan de Wageweg krijgt na decennia een andere bestemming. (foto: Streekstad Centraal)
Het oude pakhuisje aan de Wageweg ademt historie. Het is ook het oudste huisje in het rijtje. Dat, en de enige winkel – tot ook hier de deur in het slot valt. “In 1999 nam ik het over. Daarvoor was ik hier zelf de beste klant. Ik kocht hier platen die ik weer meenam naar Zuid-Amerika, om ze daar met winst te verkopen.”
Dát was het spel dat hij bijna heel zijn leven speelde: platen opkopen in het ene land, en ze weer verkopen in het andere. Een plaatje van Vader Abraham dat hem in Argentinië voor een habbekrats werd aangeboden kon hier, in de handen van de verzamelaar, tientallen guldens opleveren. En soms zelfs honderden. (tekst gaat door onder de foto)
Platen zijn Rolfs grote passie, al werkte hij tot 2021 ook bij de spoorwegen. (foto: Streekstad Centraal)
“Ik rommelde in de jaren 80 al met platen. Vanaf de jaren 90 ging ik elke zes weken naar Zuid-Amerika. Ik kreeg soms 1.500,- gulden voor één plaat, in die tijd kon alles. Nou, dan had ik mijn vliegticket er wel uit. Ik ontdekte steeds meer.”
Hij noemt de beroemde verzamelaar en schrijver Hans Pokora, aan wie hij voor een knappe winst platen van de Mexicaanse band Los Dug Dug’s sleet. “We maakten elkaar groot, Hans en ik. Dat was het mooie. Maar reken maar uit, ik kocht die platen voor twee gulden of zo en dan kon ik ze soms wel voor 500 verkopen. Mooie tijden.” (tekst gaat door onder de foto)
Ook een anekdote: de metershoge gevelreclame, die toch echt weg moest van de gemeente. (foto: Streekstad Centraal)
Good Times was in die tijd nog een winkel vol snuisterijen: beertjes, autootjes, poppetjes. Toen hij de zaak in 1999 overnam veranderde dat en draaide het hier alleen nog maar om platen, Rolfs grote passie.
“Maar ik werkte ook nog gewoon, als machinist. Dan had ik dienst van vrijdag tot en met dinsdag en dan weer negen dagen vrij, dat ging mooi. Van het geld dat ik hier verdiende trakteerde ik dan mijn collega’s op oliebollen en zo, ja, dat vulde mekaar mooi aan.”
Na 1999 veranderde de platenmarkt wel, merkte Rolf. Wat dat betreft kwam de overstap naar een fysieke winkel voor hem op het juiste moment. De grote winsten uit de jaren 90 verdwenen gaandeweg, ook door de opkomst van het internet, waardoor verzamelaars makkelijker zélf aan die platen kwamen. (tekst gaat door onder de foto)
Binnen in de winkel is het naderende einde aan de versieringen af te leiden. (foto: Streekstad Centraal)
“Platen zijn daarna toch weer heel populair geworden, maar eigenlijk merk ik dat niet. Jongeren die platen kopen zoeken vooral naar nieuwe platen. In Good Times verkopen we tweedehands platen.”
Een vaste schare klanten bleef de winkel desondanks trouw. “Mijn vrouw vind het denk ik niet zo heel erg dat ie stopt”, lacht één van hen. Híj des te meer, dat is duidelijk.
De klanten roemen ook de sfeer van de winkel en halen herinneringen op aan vroeger, toen je in een oude telefooncel je plaat kon luisteren. Als die ging draaien ging ook het licht van een discobal aan. (tekst gaat door onder de foto)
Na 27 jaar is het mooi geweest, al gaat het Rolf zeker aan het hart. (foto: Streekstad Centraal)
Humor heeft er altijd ingezeten en dat past bij het karakter van Rolf. Hij wil ook eindigen met een grap: een gezamenlijk kerstmaal, met het personeel en oude bekenden, maar dan wel op 24 september. Daarmee blijft een traditie in stand, want in andere jaren werd hier écht kerst gevierd, maar dan op de juiste datum.
Daarna is de plaat toch echt uitgespeeld. Eind september draagt Rolf het pand over. Online blijft er nog wel handel bestaan, maar voor de vaste klanten én het personeel is het dan toch wel echt voorbij.
“Ja, dan is het klaar. Echt klaar.” De ironie verdwijnt voor heel even uit zijn stem. “Het is heel zielig en lullig. Maar zo is het wel. Het is mooi geweest.”
Raadsleden in Dijk en Waard zijn nog steeds blij met de pilot in hun gemeente die moet onderzoeken of kabelgoten voor het laden van elektrische auto’s een goed idee zijn. Maar tegelijk begint het ook een beetje te kriebelen, de raad wil wel eens weten hoe de vlag ervoor staat. “We hebben onszelf als raad een beetje achteraan gezet.”
Dat zegt raadslid Lea van der Zee van Lokaal Dijk en Waard. Samen met haar collega’s van de VVD, Pro, DOP en SDW legt ze het college raadsvragen voor om toch een idee te krijgen van wat er nu met het idee gebeurt. Daarbij wijst ze ook op het recente nieuws in Castricum.
Die naburige gemeente testte namelijk net vóór Dijk en Waard hoe kabelgoten voor thuisladers nou in de praktijk bevielen. En de conclusie was: goed. Castricum wil het thuisladen dan ook vaker toe gaan staan. (tekst gaat door onder de foto)
Een ongebruikte laadkabel, zolang er geen kabelgoot in de stoep aanwezig is. (foto: Streekstad Centraal)
Toch hield juist die vrees de introductie van kabelgoten in Dijk en Waard in eerste instantie tegen. En ook nu nog is het officiële standpunt van de gemeente dat het níét mag. Eerst moet de pilot worden afgewacht.
En daar gaat tijd in zitten, veel tijd. “De inschrijving voor de proef startte op 1 juli, maar de proef zelf gaat pas op 1 februari 2027 van start”, schrijven de raadsleden. “Wat is de reden van deze periode van zeven maanden tussen inschrijving en daadwerkelijke start?” (tekst gaat door onder de foto)
Lea van der Zee nam het initiatief voor raadsvragen, om zo toch tussentijds te worden geïnformeerd. (foto: gemeente Dijk en Waard)
“We hebben het college aan zet gebracht”, blikt Van der Zee terug op de totstandkoming van de pilot in Dijk en Waard. “Nu zijn we eigenlijk wel benieuwd wat de stand van zaken is. Ik ben ook heel benieuwd naar de animo.”
Zeker voor inwoners die al investeerden in zonnepanelen en een laadkabel is het frustrerend dat laden met een draadje óver de stoep niet mag. Daar is dus wel de nodige animo voor de pilot te verwachten. Maar het duurt allemaal wel lang met de resultaten uit Castricum in gedachten. Die worden toch op een presenteerblaadje aangeboden.
“Castricum komt nu met een succesvolle proef”, erkent ook Van der Zee. “Daar kun je wel van leren. Misschien is die proef kleiner, zijn er dingen anders – dat kan, ik wacht de uitleg van het college af.” Ze zegt ook niet dat het sneller móét, de raad van Dijk en Waard heeft destijds voor dít traject gekozen. Met destijds dus ook het idee dat de raad pas achteraf geïnformeerd zou worden en dus niet tussentijds.
Maar voor de inwoners die nu niet kunnen laden, terwijl de zon al maanden veel stroom oplevert, kan het toch wringen dat buurgemeenten Dijk en Waard stappen voor zijn. Februari 2027, dat duurt nog even.
Een hotel is een hotel, géén opvanglocatie, hoe hoog de nood ook is. Dat blijft het standpunt van de gemeente Alkmaar in het geschil over de opvang van statushouders in Hotel Alkmaar. “Het college is tot de conclusie gekomen dat zowel het COA als Hotel Alkmaar definitief aangeschreven moeten worden.”
Dat schrijven burgemeester en wethouders in een brief aan de gemeenteraad. Zowel het hotel als het COA zijn in overtreding, stelt Alkmaar, en daar moet snel een einde aan komen. Tegelijk ziet Alkmaar ook wel dat het nog niet eenvoudig zal zijn om de negentien alleenstaande statushouders een ander onderkomen aan te bieden; voor een gezin van vier is dat al wél gelukt, zij verhuizen binnenkort naar een eigen woning.
Alkmaar wil het COA in zoverre tegemoet komen dat de organisatie nog vier maanden de tijd krijgt om een alternatief adres te vinden voor de negentien andere statushouders. (tekst gaat door onder de foto)
Een deel van Hotel Alkmaar is in gebruik voor langdurige opvang van statushouders – en dat mag dus niet. (foto: Streekstad Centraal)
Zowel het COA als Hotel Alkmaar is door Alkmaar een ‘last onder dwangsom’ opgelegd, wat betekent dat er binnen vier maanden een einde moet komen aan de opvang, anders moeten beide partijen betalen. Het COA zou dan 200.000 euro moeten betalen aan de gemeente, het hotel 100.000 euro.
Forse bedragen, maar toch zou het wel kunnen dat de ‘overtreders’ dan maar dit bedrag ophoesten, omdat er geen alternatief is. Maar: “Dan kunnen wij een nieuwe last onder dwangsom opleggen of bestuursdwang toepassen”, kondigt de gemeente vast aan.
Met het besluit komt wat Alkmaar betreft een einde aan een proces waarin nog met het COA en het hotel gesproken werd over wel of niet handhaven, en de tegenargumenten werden meegewogen. Want hoewel Alkmaar erkent dat het voor het COA niet makkelijk is om opvang te vinden voor statushouders, betekent dat niet dat er ineens kan worden afgeweken van de geldende regelgeving. En volgens die regels is een hotel bedoeld voor kortstondig verblijf, níét voor opvang.
Uiteindelijk gaat het om regie, verklaarde het college al eerder. Opvang moet, maar dan wél volgens de afspraken van Alkmaar zélf. Dat maakt de gemeente nu dus duidelijk met het voortzetten van het handhavingstraject.